Tussen de hortensia en de buxusbol moest “iets hogers” komen. En daarvoor kozen we een slanke struik van ongeveer twee meter hoogte uit. Hoe hij heette dat ben ik vergeten, maar hij had donkere (tegen rood/zwart aan) blaadjes. Toen we er mee thuis kwamen heb ik hem direct geplant.
Vol trots riep ik mijn vrouw, die het resultaat kwam bewonderen.
“Wat is dit nou?”, zei ze, terwijl ze wat takjes optilde.
“Hij heeft luis”, concludeerde ze.
“Zou kunnen, maar ik ga ‘m er niet weer uit halen hoor”.
“Nou, ik wil ‘m niet meer. Straks gaat hij dood en dan hebben we niets. Of hij steekt de hele tuin aan met die vieze luizen. Hij moet terug naar het tuincentrum.”
Na lang praten wist ik een compromis te sluiten: ik zou teruggaan met een takje met luizen en het tuincentrum om advies vragen.
“Dat is wolluis”, zei de tuincentrumdame.
“En nu?”, vroeg ik.
“U mag ‘m terugbrengen en dan krijgt u uw geld terug. Of u krijgt van mij een bus met bestrijdingsmiddel en bestrijdt de luis”, antwoordde ze.
Dat laatste spraken we af.
Ik moest om de zoveel tijd het bestrijdingsmiddel spuiten, niet in de zon, niet in de regen. Uren en uren ben ik met die struik bezig geweest. Keer op keer ieder blaadje aan de onderkant bespoten.
Na maanden begonnen de blaadjes bruin te worden. En ze krulden een beetje om. Het zag er niet uit. Toen mijn kleindochter zei “opa, die struik is dood”, hakte ik de knoop door en belde het tuincentrum.
“Helaas, het is niet gelukt”.
“Jammer. Dan brengt u de struik maar terug, en dan krijgt u alsnog uw geld terug”.
“Dat is goed, maar dan knip ik ‘m wel in stukken en stop alles in vuilniszakken, want ik wil mijn auto niet vies maken”.
Dat was in orde.
Aangekomen bij het tuincentrum maakte de tuincentrumdame de zakken open.
“Maar mijnheer, die struik was helemaal niet dood. Maar de luizen wel allemaal. Met wat meer geduld waren die blaadjes vanzelf bijgetrokken”.
Ik heb dus geen groene vingers en schaamde me diep. Dat ik toch nog 50% van de aanschafprijs terugkreeg vond ik heel coulant.