Oelewapper

Er is een tijd geweest dat je niet zelf een telefoonverbinding tot stand kon brengen. Nee, je moest een ‘telefoniste’ bellen. En die ‘telefoniste’ beschikte over een groot paneel met gaatjes, prikte een stekker in één van die gaatjes, een andere stekker in een ander gaatje en bracht daarmee de verbinding tot stand.

In die tijd had je ook nog een apparaat dat een telex heette. Dat was een soort grote schrijfmachine die veel lawaai maakte en waarvan de ‘wagen’ zenuwachtig op en neer hupte. Een telex kon tekst verzenden en ontvangen. Een soort voorloper van whatsapp. Maar de verbinding tussen twee telexapparaten werd op dezelfde manier tot stand gebracht als bij de telefoon.

Ik was nog een puber en werkte op de afdeling Telegrafie (zie het verhaaltje ‘SVH’) van wat toen nog de PTT heette. In het gebouw naast ons was de afdeling ‘Telex’ gehuisvest. En de boven mij gestelden vonden het een goed idee als ik voor onbepaalde tijd het personeelstekort bij die afdeling zou gaan helpen bestrijden.

Toen ik op die nieuwe afdeling binnenkwam begreep ik al snel waarom er een personeelstekort was. Het was een bedompte ruimte en werd alleen bevolkt door dames op leeftijd. Type bloemetjesjurk, ‘sjaaltje’ om de hals en een grote flanellen onderbroek met pijpjes rond de dikke billen (hoewel ik dat van die onderbroek niet met zekerheid kan zeggen).
Bij binnenkomst wilde ik direct een raampje openen, maar alle sjaaltjes kwamen onmiddellijk in opstand: ‘Nee! Dicht! Koud’. ‘Nee! Dicht! Tocht!’. Dus dat deed ik toen maar.

Op mijn werkplek stond een telex en een paneel met gaatjes. Op die telex kwam een bericht binnen met een tekst als bijvoorbeeld ‘goedemorgen, kunt u mij doorverbinden met de firma xyz?’, waarop ik antwoordde ‘ogenblikje’, en twee stekkers in het gaatjespaneel prikte. Het gesprek op papier dat daarop volgde kon ik gewoon meelezen. Privacy bestond nog niet. Maar spannend waren die gesprekken nooit. Wel zakelijk, kort. En mijn gedachten dwaalden altijd af, naar buiten, naar waar het zonnetje scheen, naar de blauwe lucht.

Een paar dagen dit werk doen waren voldoende om me geestelijk uit evenwicht te brengen. En dus zocht ik naar de nooduitgang. Ik had ontdekt dat ik, als ik wilde, deel zou kunnen nemen aan het telexgesprek, zonder dat de twee partijen die in gesprek waren, wisten dat er een derde partij mee ging praten. Dus, als A een zin typte kon ik ‘inbreken’, iets aan tekst toevoegen en er weer tussenuit knijpen. B zou dit lezen alsof het afkomstig was van A, terwijl A dit niet kon meelezen. Omgekeerd kon ik dit ook.

Okay, het is stom, het is fout, het is onverantwoordelijk, het is onvolwassen. Maar dat ging ik dus doen.

Het telexgesprek verliep daardoor als volgt:
A: ‘Goedemorgen, er is een schip tarwe onderweg. Heeft u interesse?’
B: ‘Jawel, ik bied 1000 per ton’.
Op dit punt brak ik in en typte ‘oelewapper’ achter de zin.
A dacht dus dat B oelewapper tegen hem had gezegd. En werd natuurlijk boos op B. De tekst die hij richting B stuurde loog er dan ook niet om. Op zijn beurt snapte B daar natuurlijk weer niets van. En ging dan zelf helemaal los op A.
De ‘sjaaltjes’ begrepen niets van mijn gelach. Maar ik had de grootste pret.

Natuurlijk bleef dit niet zonder gevolgen. Op een ochtend werd ik op het kantoor van de grote baas ontboden. Met onmiddellijke ingang werd me de toegang tot de afdeling Telex ontzegd en moest ik mij weer melden bij de afdeling Telegrafie. Omdat ik op ‘ontslag op staande voet’ had gerekend viel me dit alleszins mee. Maar, zonder dat dit mijn vooropgezette plan was, voelde het als een overwinning. Ik was toch maar mooi van die saaie afdeling en dat saaie werk verlost.

2 gedachten over “Oelewapper

  1. Ben benieuwd hoe het was gelopen als je “flapdrol” had toegevoegd… Maar ja. We zullen het nooit weten. 😁

    Like

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.