De bazige haan was een eersteklas gluiperd. Hij verdedigde zijn harem door op momenten dat je er niet op bedacht was, van achter op je rug te springen en je in je nek te pikken. Slaan- of schopbewegingen deerden hem niet. Hard weglopen was de enige oplossing.
Verder was het een heerlijke zomer. De zwaluwen hadden prachtige nesten gebouwd in de landschuur en vlogen af en aan. Kalfjes en lammetjes dartelden in de wei. De varkens rolden genoeglijk knorrend in de modder, zich van geen slager bewust. Bijtjes zoemden van bloem naar bloem.
Maar die idyllische rust werd wreed verstoord. De boer besloot namelijk dat het tijd was om te hooien. Hij had al dagen naar de lucht gekeken, het gedrag van de vogeltjes bestudeerd en in alle vroegte de waterstanden op de radio beluisterd (Radiobericht: Te Grave beneden de sluis – voorbij de zware deuren – mag mij het water sleuren – en kantelen met geruis. – Grave beneden de sluis (Ida Gerhardt)). Ik vermoed dat hij ook God heeft geraadpleegd, want het was een gelovig man.
De prachtige hengst werd ingespannen en trok de maaimachine voort over het land, net zo lang totdat al het gras was gemaaid. Daarna werd hij ingespannen voor een machine die het gras moest keren/schudden en liep dagenlang door de weide. Vervolgens werd hij weer voor een andere machine gezet, waarmee het inmiddels droge gras in wiersen werd gesleept om tot slot de platte kar te trekken waarop het hooi naar de boerderij kon worden gebracht.
Ik was er bij op dat land. Op mijn eigen gele klompen, die ik voor geen goud wilde verruilen voor ander schoeisel. Ook al deden mijn wreven nog zo’n pijn van het harde hout. Ik mocht het paard mennen en met een hooivork het hooi op de platte kar leggen. Hard werken, in de volle zon. Met als de beste dorstlesser een thermoskan koude thee, zonder suiker.
Meestal lukte het om het hooi droog in de hooiberg te krijgen. Maar die zomer was er toch een buitje gevallen. En daardoor kwam de ergste nachtmerrie van de boer uit: hooibroei. Rookpluimen stegen op uit de hooiberg en iedereen met twee handen aan zijn lijf hielp mee om de hooiberg uit elkaar te trekken. Het hele erf en de aangrenzende dijk kwamen vol te liggen met hooi, waardoor een deel kon worden gered.
Het jaar daarop moest er weer gehooid worden. En weer was ik van de partij. Wat ik niet wist was dat de boer had ontdekt dat de kans op hooibroei kon worden verkleind door bij het opbouwen van de hooiberg een gangenstelsel in te bouwen. Op grondniveau een horizontale gang met een ventilator. In het midden van de berg werd een verticale koker gecreëerd door een metalen pijp neer te zetten, het hooi op te bouwen tot de bovenkant van de pijp en deze dan weer een stuk omhoog te hijsen. En zo door.
Dat jaar was het hooien weer een feest voor me. Het paard was weer hartstikke lief, de zon gloeiend heet, de thee weer erg dorstlessend. Toen al het hooi binnen was werd dat in de boerderij gevierd met een flesje Oud Bruin voor de boer en een glaasje Exota voor de jongeren. Maar ik wilde per se nog even terug naar buiten. Even in die inmiddels 6 meter hoge hooiberg klimmen. Daar liep ik in het rond. Genoot van de geur van het hooi en het prachtige uitzicht over de landerijen. Totdat ik plots in het gat in het midden stapte en zes meter naar beneden viel. Ik zat klem en hoorde de ventilator in de rondte zwiepen, hetgeen mijn angst nog meer vergrootte. Op mijn schreeuw om hulp reageerde niemand.
Na enige tijd realiseerde ik me dat ik niet op hulp van buitenaf hoefde te rekenen en dat ik het zelf zou moeten doen. Centimeter voor centimeter lukte het me om mezelf naar boven te wurmen. Daar aangekomen bleef ik een tijd liggen om bij te komen. Zin in feest met Exota had ik niet meer. En tot op de dag van vandaag zit ik soms rechtop zwetend in mijn bed omdat ik droomde over opgesloten zitten in een kleine ruimte.