Bloemschoen

De kamers van het hotel lagen verspreid over een mooi bebost terrein. In deze coronatijden bij uitstek geschikt om de 1,5 meterregel te kunnen handhaven.

Om er te komen moesten we wel eerst de fuik die ‘receptie’ heet onbesmet zien te passeren. Hierbij werden we gelukkig wel geholpen, want op de deur hing een briefje met de tekst ‘maximaal 2 gasten tegelijk naar binnen’, op de grond waren pijlen geplakt en overal stonden flessen ontsmettingsmiddel.

Toen we met zijn tweeën binnen waren ging toch de deur nogmaals open en kwamen twee Japanse meisjes binnen. Tsja, die lezen natuurlijk geen Nederlandstalige briefjes op deuren.

“Do you have toothbrushes and toothpaste?”, vroegen de meisjes.

“I will have a look”, zei de receptionist. “Sometimes guests forget them. We always have a couple”.

De twee Japanse meisjes sperden hun ogen wijd open en sloegen hun handen verschrikt voor de mond. Luidkeels begonnen ze in het Japans met elkaar te overleggen.

“Sorry, sorry, it was a joke”, reageerde de receptionist geschrokken, en rende naar achteren.

“Look, toothbrush, completely new, in the box and sealed in plastic. Never been used”.

Opgelucht kochten de meisjes hun nieuwe tandenborstels en konden wij naar onze kamer.

Die kamer was dringend aan een opknapbeurt toe en erg schoon was het er ook niet. Maar… we werden wel hartelijk verwelkomd door een paar leuke langpootspinnen in mooie langpootspinnenwebjes. Ze zaten ons niet in de weg dus die hebben we maar lekker laten zitten. Leven en laten leven is ons motto.

Na de boel een beetje verkend te hebben togen we naar het restaurant. Ze werkten er met ‘timeslots’ en we werden om 19.45 uur verwacht.

Bij de ingang van het restaurant had men een soort ruwhouten lessenaar getimmerd. Twee meter voor deze lessenaar was een stip op de vloer aangebracht die we in eerste instantie niet opmerkten.

Toen we de lessenaar naderden werden we direct streng toegesproken: “heeft u uw handen ontsmet?”

“Ik heb net gedoucht, is dat voldoende?”, vroeg ik.

“Nee mijnheer, u moet uw handen ontsmetten met ons ontsmettingsmiddel, anders mogen we u niet bedienen.”

Gedwee liepen we terug naar het tafeltje naast de deur waar een flesje ontsmettingsmiddel stond. Omstandig en voor iedereen zichtbaar sproeiden we ontsmettingsmiddel op onze handen en maakten overdreven wasbewegingen.

Onder de strenge blik van de gerant liepen we weer naar de lessenaar. Helaas ietsje voorbij de stip op de grond.

“Wilt u op de stip gaan staan alstublieft?”, was dan ook direct de terechtwijzing.

En weer gehoorzaamden we timide.

Na registratie werden we door de gerant naar een tafeltje gebracht. Een tafeltje dat waarschijnlijk niemand vrijwillig zou hebben gekozen. Eén van ons tweeën zou de hele avond tegen de blinde muur van een pilaar aan moeten kijken, en bovendien stond het tafeltje te dicht op twee andere tafeltjes. Als ik BOA was zou ik hier een bekeuring uitgedeeld hebben, ongeacht de maatschappelijke positie van de overtreder. En dus vonden we dat we al lang genoeg timide en gedwee waren geweest en accepteerden het plekje niet. Mopperend kregen we gelukkig toch een beter tafeltje en kon de pret beginnen.

Die pret kwam in de vorm van lekkere drankjes en prima eten, maar ook werd onbedoeld voor entertainment gezorgd. Na ons was namelijk een ander stel binnen gekomen. De vrouw zag er uit als een aardige dame, maar de man was een ander verhaal. Hij was het best te vergelijken met die ‘bloemschoen’ die in de regering zit. Met zijn ijdele, opvallende, aandachttrekkende witte schoenen met drukke delftsblauwe bloemmotieven stond hij op de stip te wachten. Maar dat duurde hem al snel te lang en hij stak zijn handen diep in zijn broekzakken en stapte stampend het restaurant in. Stap, stap, stap, klonken zijn bloemschoenen. Tot de gerant hem zag en hem sommeerde naar de stip terug te keren.

“Mijnheer, het duurt me te lang. Ik houd niet van wachten”, antwoordde hij.

“Toch moet ik u verzoeken terug te gaan naar de stip. Ik kom u zo halen”, zei de gerant.

De kop van de man werd nog chagrijniger dan hij al was en hij stapte gewoon verder het restaurant in.

“Mijnheer, wilt u alstublieft terug gaan, ik kom u zo halen”.

“Hugo, kom nou”, riep de mevrouw vanaf de stip.

Mokkend liep de man terug naar zijn vrouw en bleef, leunend op de lessenaar, staan wachten.

De gerant had wel in de gaten dat hij maar beter naar het stel kon gaan en naar een tafeltje kon brengen. Dat deed hij dan ook. Maar wel met een opvallend brede glimlach op zijn gezicht.

“Goedenavond, mijnheer, mevrouw, ik ga u naar uw tafel brengen”, en hij liep voor ze uit naar het rottafeltje dat wij hadden geweigerd.

De vrouw ging meteen zitten, maar bloemschoen bleef met een boos gezicht staan.

“Ik eis een ander tafeltje”, blafte de man.

“Het spijt me, mijnheer, dit is het laatste vrije tafeltje”, zei de gerant vriendelijk, waarbij de brede glimlach op zijn gezicht nog breder werd.

Het was duidelijk dat de vrouw dit gedrag wel gewend was en zij trok zich er niets van aan. Ze bestudeerde de menukaart en zat zich zichtbaar te verheugen op de lekkere gerechten die komen zouden.

De man bleef zichzelf in de weg zitten en genoot niet. Wel bleef hij onze belangstelling houden en keken we zo af en toe om te zien of zijn boze gezicht al was bijgetrokken.

Een mooi begin van een paar leuke dagen weg.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.