Ik fietste zo hard als ik kon. Van Driemond naar de Kolonel Palmkazerne in Bussum was ruim 16 kilometer. In die kazerne ‘werkte’ mijn ome Jan, broer van mijn moeder, als beroepssergeant. Waar dat werken precies uit bestond wist ik niet. Wel dat het erg leuk werk moest zijn, want de man was altijd vrolijk. Met zijn moppen en luidruchtige lach was hij ‘by far’ mijn lievelingsoom.
Hij had mij uitgenodigd om langs te komen en zou mij dan de kazerne laten zien. En als ik zorgde op tijd te zijn, mocht ik mee-eten met de lunch in de onderofficiersmess. Daar werd, naast het standaard broodbeleg, altijd iets ‘lekkers’ geserveerd, zoals een kroketje of een balletje gehakt. De gedachte aan dat lekkers maakte dat ik nog harder ging fietsen. Visioenen van lekkere kroketten, frikadellen en gehaktballen trokken aan mijn geestesoog voorbij.
Bezweet en hijgend kwam ik bij de kazerne aan. Mijn oom schreef me in bij de wacht en nam me mee het kazerneterrein op. Van wat hij mij allemaal liet zien en wat hij er bij vertelde, kan ik me nauwelijks iets herinneren. Wel dat ik aan veel andere militairen werd voorgesteld. De meesten met onderscheidingstekenen op de schouders, sommigen zelfs met glimmende stippen, sterren en balkjes.
Hoewel ik alles heel spannend vond, kon ik nauwelijks wachten op ‘le moment suprême’, namelijk de lunch met het lekkers. In de onderofficiersmess stonden de tafels gedekt en alle onderofficieren schoven aan. Enigszins nerveus keek ik in allemaal vriendelijke, lachende gezichten, die me beloofden dat zo dadelijk het lekkers geserveerd zou worden. En zo geschiedde. Soldaten die die dag in de bediening werkten kwamen vanuit de keuken de mess binnengelopen. Ze droegen grote dienbladen en legden bij iedereen een groen ding op het bord. In dat groene ding zat een vulling die was afgedekt met een laagje gesmolten kaas.
Enthousiast begon iedereen om mij heen in dat groene ding te snijden en hapjes naar de mond te brengen. ‘Mmmmm, heerlijk’, werd er geoordeeld. Maar ík keek argwanend naar mijn bord. Want nog nooit had ik zo’n groen ding gegeten. Ik werd aangemoedigd om vooral toe te tasten en dat deed ik toen ook maar.
Zelden had ik zoiets smerigs geproefd. Maar om mij heen bleef er maar ‘lekker hè’ en ‘jij boft toch maar’ geroepen worden. En dus dorst ik niet te zeggen dat ik het eigenlijk verschrikkelijk vies vond. Ik heb dat hele gore groene ding opgegeten. Er aan terugdenkend had ik zelf waarschijnlijk ook een groene kleur. Van ellende.
Diep teleurgesteld stapte ik later op mijn fiets voor de terugreis. Een terugreis die zeker twee keer zo lang heeft geduurd als de heenreis.