“Mijn” moslima

1966. Met een stel vrienden en vriendinnen waren we in Friesland. In een “Ambonezenkamp”. Gemeenschappelijke vrienden van ons gingen trouwen. Zij Ambonese, afkomstig uit dat kamp en islamitisch. Hij Surinamer en christelijk.

Die geloven zeiden mij in die tijd weinig. De gevoeligheden al helemaal niet. Het staat me totaal niet bij dat die er waren zelfs. Voor mij was het: “leuk!, feestje!!”. En onbevangen keek ik nieuwsgierig naar alles.

De jongeman moest moslim worden om zijn liefde te kunnen trouwen. Inclusief besnijdenis een paar weken daarvoor. En één van de onderdelen van de plechtigheid bestond er uit dat het paar zich terugtrok, in een kamer met een bed dat rondom afgeschermd was met gordijnen. Het huis was vol met gasten. Er moest bewezen worden dat zij nog maagd was. En daar bleven we wel even op wachten met z’n allen.

Deze ceremonie heeft helaas het leven van een kip gekost. Maar bloed is bloed, en dat werd aan een ieder getoond, op het laken. Of híj ook nog maagd was werd verder niet onderzocht. Dat was kennelijk niet belangrijk.

(Saillant detail: de bruid was op dat moment al zwanger wisten wij als vrienden).

In de moskee zaten mannen en vrouwen strikt gescheiden. Dat vond ik wel een beetje jammer, want ik had een meisje gezien waarvoor ik direct ook moslim had willen worden. Ze heette Siti Hawah Remiwau Hatuluwaya. Of woorden van gelijke strekking, maar zo klonk het wel. Ik was op slag verliefd. De hele verdere dag stond in het teken van toenadering zoeken. En dat lukte heel aardig. Maar ja, er kwam een eind aan die dag natuurlijk. We gingen weer terug naar Amsterdam. Daar hield ik het een week uit. Toen moest en zou ik terug naar Friesland, naar Siti. Ik had geen geld, en eigenlijk verzuimde ik al mijn plichten, maar liftend ging ik ’s morgens vroeg op pad. Binnen de kortste keren was ik in Friesland en heb ik Siti weer ontmoet. A/G zij geprezen. Maar het kamp mocht ik niet op. De gevoeligheden tussen verschillende geloven werden me toen ineens duidelijk. Toch ben ik zo lang mogelijk bij Siti gebleven. Tot zij terug naar huis, het kamp, moest.

Bijna donker en geen geld. Terugliften leek ineens niet meer zo’n goed idee. Brutaalweg ben ik een klein hotelletje binnengestapt. Heb heel eerlijk de situatie uitgelegd en gevraagd of ik een kamer kon krijgen als ik later het geld over zou maken. En, o ja, ook graag een warme maaltijd en een biertje. Plus een telefoontje om mijn ouders even te vertellen dat alles okay was. De Friese hotelier stond mij alles toe. Ik heb heerlijk gegeten, heerlijk gedronken, heerlijk geslapen. De volgende dag ben ik terug naar huis gelift en heb direct het geld overgemaakt natuurlijk.

Hierna raakte Siti uit beeld, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Maar ik heb toch een mooie herinnering aan “mijn” moslima 🙂