De man kwam binnen met zijn handpalmen tegen elkaar gedrukt voor zijn borst, de vingers naar boven. Hij maakte diepe buigingen. Op zijn hoofd droeg hij een namaak bontmuts waarvan de oorflappen wijd uiteen staken. Zijn huidskleur was grauw, gelig.
Hij droeg een gebreide kabeltrui die hij in zijn broek had gepropt. Daaroverheen een gilet van bruin ribfluweel die zijn broekriem nog net zichtbaar hield. Aan die riem droeg hij diverse attributen zoals een festonhaak en twee tasjes waarin ik in één een Nokia 3310 vermoedde. Her en der op zijn kleding droeg hij buttons. “Tegen kernenergie”, “gebroken geweertje”, “peace”, “extinction rebellion”, om er maar een paar te noemen.
Hij leek sprekend op Johan Vollenbroek en ik keek daarom snel even naar buiten of hij misschien op z’n ligfiets was gekomen. Maar dat bleek helaas niet het geval.
Voortvarend ging hij aan de slag. Met behulp van een apparaatje dat in één van zijn riemtasjes zat, mat hij alle vertrekken en ramen van onze woning, stelde vragen, bestudeerde de bouwtekening en maakte aantekeningen.
Tot slot wilde hij nog even onder de vloer kijken. Hiertoe tilde hij het zware luik in de gang op en zette het schuin tegen de muur. Op zijn buik liggend bestudeerde hij de kruipruimte. Mat ook daar het een en ander op en ging weer staan. Hierbij stootte hij tegen het luik dat omviel met de scherpe rand tegen zijn scheen. Hij bleef bewonderenswaardig stil. Wel ging zijn ademhaling een stukje sneller en vertrok hij zijn gezicht in allerlei wonderlijke grimassen. Zijn huidskleur veranderde van gelig via roze naar rood. Aanvankelijk weigerde hij medische hulp, maar toen het bloed door zijn broekspijp kwam vond hij toch ook dat er wat pleisters geplakt moesten worden.
Hierna vertrok hij weer, achteruit lopend en namasté buigend, met de belofte dat hij er voor zou zorgen dat we binnen veertien dagen een verduurzamingsrapport van hem zouden ontvangen. Met dank aan de gemeente Alkmaar die ons dit cadeautje had gegeven.
Op de route die we in Amsterdam met zekere regelmaat afleggen zien we vaak een dakloze man. Hij zit altijd op dezelfde plek. In de hoek van een gebouw waar de eerste verdieping boven de stoep doorloopt. Dat vormt daardoor een soort dak en zo zit hij altijd droog. Een bewoner uit de buurt parkeert daar ook altijd zijn Canta. Daardoor wordt de man aan drie kanten beschut.
Hij bedelt nooit en groet altijd vriendelijk als we hem passeren. Toen ik hem een briefje van vijf toestak nam hij dat zonder woorden aan. Wel kneep hij zijn ogen vriendelijk samen, drukte zijn handpalmen tegen elkaar met de vingers naar boven voor zijn borst en boog een paar keer.
Namasté!