Dorpskruidenier Millenaar had een nieuw product in zijn assortiment: Planta margarine. Het werd door hem geïntroduceerd met een prijsvraag. De opdracht luidde ‘verzin een pakkende slagzin’.
Het was het jaar van de Hongaarse opstand, hetgeen buurman Bertus direct bracht op:
“Alles wat ik verdien tussen m’n dije
Is voor Hongarije”.
Ik had geen idee wat het betekende en het woordje ‘Planta’ kwam niet eens in zijn slagzin voor, maar ik dacht toch ook dat hij weleens kon gaan winnen. Hij kreeg namelijk erg veel reacties. Vrouwen sloegen verschrikt een hand voor de mond en bij mannen verscheen een lach op het gezicht.
Bertus was de vader van Japie, mijn vriendje, en ‘quite a character’. Hij was groot en sterk. Dat maakte indruk op me. Maar wat het meeste indruk maakte was het feit dat hij een motor met zijspan had. Een Norton.
Bertus was ook een fanatiek zaalhandballer. Soms mochten Japie en ik mee naar een wedstrijd. Zonder helm, zonder riem, zonder motorkleding. “Houd je goed vast en niet gaan staan” was het advies van Bertus. Dus daar hielden we ons aan. Met een snelheid van 150 km per uur (gevoelsmatig) scheurden we richting de sporthal in Amsterdam.
Tijdens de wedstrijd renden mannen keihard heen en weer en streden om de bal. Hoewel het volgens mij geen contactsport is, ging het er ruig aan toe. Naast keihard rennen werd er gesprongen, geblokt en met snoekduiken gepoogd de bal dwars door de keeper te gooien. Zweetdruppels vlogen in de rondte. Met een lijf nog vol adrenaline ging de terugweg nog sneller dan de heenweg.
De moeder van Japie heette Aagje. Het was een klein, dun vrouwtje. Als ze naast Bertus stond viel het verschil in postuur erg op. Niet voor mij als kind. Dan is het zoals het is en denk je daar verder niet zo bij na. Maar op latere leeftijd vroeg ik me wel eens af ‘hoe dóén die mensen het?’.
Ik mocht de moeder van Japie niet zo. Ze had de gewoonte om Japie streng te straffen als hij iets had gedaan wat haar niet zinde. Hij werd dan opgesloten in het keldertje onder de trap. In het donker. Japie vond dat verschrikkelijk.
Op een dag stond Aagje bij ons voor de deur met een bebloede theedoek die ze op haar hoofd drukte. Strepen rood bloed liepen over haar wangen naar beneden.
Mijn moeder nam Aagje direct mee naar binnen en verzorgde de wond. Zittend aan onze eettafel vertelde Aagje dat ze Japie weer in het keldertje had willen opsluiten, maar dat hij erg had tegengestribbeld. Tijdens die ‘worsteling’ had ze een plank aangestoten. Op die plank stond een strijkbout en die was, met de punt naar beneden van de plank gevallen. Recht op haar hoofd.
“Net goed”, dacht ik en huppelend verliet ik de kamer om met Japie te gaan spelen.