Na aankomst in Banjul, Gambia, liepen we de vliegtuigtrap af. We zetten de koffers even neer om rond te kijken waar we heen moesten voor de paspoortcontrole. Maar dat hadden we beter niet kunnen doen. Direct werden ze opgepakt door een grote zwarte mijnheer. Hij verplaatste ze een paar meter en deed dat met een mimiek alsof ze heel zwaar waren. Daarna hield hij zijn hand op in de verwachting rijkelijk beloond te zullen worden voor zijn grote dienst aan ons. Ik probeerde hem te negeren (pun not intended), maar daar was hij het niet mee eens. Een schreeuwerige woordenwisseling volgde. Uiteindelijk heb ik de ruzie maar afgekocht met een dollar. Een beetje vervelend begin van onze vakantie.
Aangekomen in ons hotel viel het op dat het terrein rondom met een hek was beveiligd. En bij de ingang stonden bewakers, nota bene met geweren. Ook deze tweede stap in onze kennismaking met Gambia was niet bepaald opwekkend.
“Okay, laten we de omgeving gaan bekijken”, zeiden we tegen elkaar. Maar direct nadat we een paar passen buiten de omheining hadden gezet, werden we aangesproken door mannen.
“Geef me geld.”
“Geef me je bril.”
“Geef me je schoenen.”
“Geef me sigaretten.”
Al lopend werd de groep hulpeisers rondom ons steeds groter. En dreigender. Totdat we bij het strand aankwamen. Daar stond een strandtent met terras. De uitbaatster was een Duitse dame. En zij had geregeld dat op iedere hoek van het terras een hele grote donkere man stond. Met gespierd glimmend ontbloot bovenlijf, als in een film. Eenmaal over de grens van het territorium van de Duitse waren we van de meute “bedelaars” af. Dat was op dat moment wel prettig, maar het voelde toch niet echt lekker.
Na een paar dagen gingen we op excursie. Het binnenland van Gambia in en dan via Senegal weer terug. Ergens halverwege zouden we een “authentiek dorpje” bezoeken. Ons transport bestond uit een vrachtwagen met open laadbak. Aan boord was een grote koelbox met blikjes fris en bier. Maar als je stil staat en daar in zit met een biertje en er zich weer zo’n meute “bedelaars” rondom verzamelt en allemaal hun handje uitsteken, dan voelt dat weer niet lekker. We schaamden ons eigenlijk een beetje.
Het dorp was leuk. De inwoners deden een dansje voor ons, en als tegenprestatie heeft ons gezelschap “twee emmertjes water halen” voor hen gezongen en gedanst. Bij het “koning door de poort” danste het hele dorp mee. Dat klinkt allemaal gezellig. Totdat we hoorden dat er een kind in het dorp ernstig ziek was en dat de bewoners daarom eigenlijk helemaal geen zin hadden om te dansen en zingen. En dat ze moesten van de gids, want anders kregen ze geen geld van hem. Toen voelde ook dit weer niet lekker en schaamden we ons eigenlijk al weer een beetje.
Men zegt wel eens: “je moet alles in het leven een keer proberen, en de leuke dingen vaker”.
Vakantie in Gambia blijft bij 1x.