Gedichten

Ik weet weinig van gedichten. Maar er zijn er drie die ik om de één of andere reden niet vergeet. De eerste is er één die in 2012 in het NRC stond. Hij is van de Dichter des Vaderlands Gerrit Komrij. Een bizar gedicht:

Liefde

Ze liggen op elkaar, schurft op eczeem.
Je hoort de schilfers knappen. Roos stuift op.
Hun schedels glimmen als een diadeem.
Ze liefkoost teder zijn gezwollen krop.

Zijn pink verdwijnt in een abces van bloed.
Ze kronkelt. Uit haar mond springt slijm. Een blaas
Ontploft. Zijn krop wordt blauwer. Hij vat moed.
Hij rolt haar op haar rug. Hij is de baas.

Dan gaan zijn sleetse lendenen tekeer.
Het is een machtig knarsen. Het gesop
Van kwijl in etter kent geen einde meer.
Zij kotst. Gods wonder in een notedop.

De tweede popt altijd automatisch op als ik door Amsterdam loop. En zeker toen ik voor het geboorteadres van Karel Appel in de Dapperstraat stond. Lekker gedichie vind ik. Hij is van J.C. Bloem:

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant.
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.

Dit heb ik bij mijzelve overdacht,
Verregend, op een miezerige morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

De derde spreekt mij waarschijnlijk zo aan omdat ik lange tijd rookverslaafd ben geweest. Ik ken dus het verlangen naar een sigaret als geen ander. Dat verlangen wordt mooi beschreven door Rutger Kopland:

Over het verlangen naar een sigaret

Ken je het verlangen naar een sigaret,
naar die gelukkige tijd dat je nog rookte?

Niemand begrijpt dit verlangen behalve ik.

Ik herinner mij iemand die altijd
als ik iets zei dat ze niet begreep
antwoordde: op zich is dit heel intrigerend.

En ik herinner mij ook dat ik dan
die uitspraak een aantal malen
in mijn hoofd moest herhalen:
op zich is dit heel intrigerend
totdat de betekenis verdampt was.

God kan ondoorgrondelijke dingen met ons doen
dankzij het feit dat hij niet bestaat

en zo kunnen ook ondoorgrondelijke dingen
worden beweerd dankzij het feit
dat ze nergens over gaan.

Sinds ik dit bedacht begrijp ik veel meer.

Het verlangen naar een sigaret is
het verlangen zelf.