Hoofddoekje

In onze woning in Zaandam had de CV-ketel het begeven. Het was het begin van deze eeuw. Van ‘van het gas af’ hadden we nog nooit gehoord en dus moest er gewoon een nieuwe gas-CV-ketel komen. We maakten onze keuze in overleg met het bedrijf dat altijd voor het onderhoud zorgde. En zij zouden ook zorgen voor afvoeren van de oude ketel en plaatsing van de nieuwe.

Op de afgesproken dag stonden twee monteurs voor de deur. De ene was een oudere autochtone man, de ander een jongere allochtone. Voortvarend gingen zij aan de slag.

Bij een koffiebreak informeerde ik waar de oorspronkelijke roots van de allochtone man lagen. Dat bleek in Marokko te zijn.

De man was buitengewoon enthousiast en vrolijk. Hij vertelde blij te zijn met zijn leuke baan, maar de reden van zijn vrolijkheid bleek door nog iets anders te worden veroorzaakt.

‘Ik ga verhuizen naar Assendelft’, zei hij. ‘We hebben een leuke woning toegewezen gekregen’.

Ik feliciteerde hem met dit feit en vroeg waar hij nu dan woonde. Dat bleek in Amsterdam te zijn.

Nou leek mij persoonlijk het wonen in Amsterdam leuker dan in Assendelft, maar misschien hield de man meer van een rustig dorp dan van een drukke stad.

‘Weet u’, zei hij. ‘In de wijk waar ik woon wonen alleen maar Marokkanen’.

Deze opmerking voelde een beetje ongemakkelijk en dus wist ik niet hoe te reageren. Vandaag de dag zou je hiervoor direct voor xenofoob of racist worden uitgemaakt.

‘Waarom vindt u dat een bezwaar?’, vroeg ik.

‘Ik ben getrouwd en we hebben twee kinderen. Als mijn vrouw de straat op gaat draagt ze een hoofddoek. Als ze dat niet doet krijgt ze verwensingen naar haar hoofd geslingerd van de mensen op straat en daarom voelt ze zich daartoe verplicht’.

‘Ach, er zijn ergere dingen dan het dragen van een hoofddoekje, toch? Vroeger droegen van oorsprong Nederlandse vrouwen ze ook wel eens’, reageerde ik politiekcorrect.

‘Het is een groot verschil tussen af en toe een hoofddoekje dragen omdat het bijvoorbeeld gaat regenen of het verplicht dragen iedere keer dat ze naar buiten gaat’, wees de man mij terecht.

‘Mijn vrouw is blij dat ze straks van dat hoofddoekje af is. Ze verwacht niet dat ze daar in Assendelft op straat over zal worden aangesproken. En ik ben blij voor haar’.

‘En nu gaan we weer aan de slag. Die ketel gaat niet vanzelf aan de muur hangen’.

Waarop hij vrolijk de trap weer op rende.