Onze radio was een Philips. Natúúrlijk was het een Philips, want ‘dan was het goed’, zei mijn vader altijd. Tsja, ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’.
Het was eigenlijk een meubel, een forse kast. Onderin zat een grote luidspreker en daarnaast was ruimte om wat grammofoonplaten op te bergen. Daarboven aan de voorkant bevond zich de radio, met twee draaiknoppen. De één voor het volume, de ander om zenders te zoeken. Die zenders kon je aflezen op een glazen plaat, waarachter een naald zichtbaar was. Die naald kon je middels de rechterknop verplaatsen naar de zender van je keuze. Dat kiezen moest heel nauwkeurig gebeuren want als je ook maar een fractie naast de zender afstemde hoorde je allerlei rare piep- en knars-geluiden. Alsof ze afkomstig waren van een andere planeet.
De bovenkant van het meubel bestond uit een klep. Als je die opende werd een platenspeler zichtbaar. Deze kon afgesteld worden op 45- of op 78-toeren.
Uit de luidspreker klonk het geluid van het radioprogramma ‘de Groenteman’, van Kees en Hermien de Wolf. Maar kennelijk had mijn moeder daar geen zin in, want ze zette een plaat van de Selvera’s op. Het nummer ‘Twee Reebruine Ogen’.
Terwijl we daarnaar luisterden hoorde ik dat iemand iets door de brievenbus gooide. Ik rende naar de gang en haalde het op. Het bleek een kaartje te zijn met de volgende inhoud:
Naam: Gerrit
Datum: zaterdag a.s.
Tijd: 10.30 uur
Tegen: Abbekewalda
Positie: spil
Waar: thuis
Meteen werd me duidelijk dat mijn voetbalcarrière ging beginnen, want de afzender was FC Geinburgia. De vereniging waarvan mijn ouders mij kort daarvoor lid hadden gemaakt. Niet omdat ik dat graag wilde, maar omdat alle vriendjes uit de buurt daar ook lid van waren.
Die zaterdag ging ik op de fiets naar het veld. Langs de rivier het Gein, een prachtig gebied dat momenteel bedreigd wordt omdat sommige idioten daar megagrote windmolens willen gaan plaatsen.
Om op het voetbalveld te komen moest je een sloot over. Via een brede plank waar provisorisch een leuning tegenaan gespijkerd was. Als je daar tegenaan leunde wist je zeker dat je in de sloot zou belanden.
Het veld bestond uit een stuk weiland. Voor de gelegenheid waren de koeien en schapen, die daar normaal als levende grasmaaiers rondliepen, naar een andere plek geleid (in koeienvlaaien schijn je overigens de beste slidings te kunnen maken). Voor aanvang van de wedstrijd werd ons gevraagd om eventuele molshopen even met de voetbalschoen vlak te strijken. Dan rolde de bal beter.
Omkleden deden we in een hok dat getimmerd was van ruwhouten planken. Water was er niet, evenmin als licht of verwarming. Wel had de leiding altijd een melkbus mee, gevuld met koude thee. Daaruit werd in de pauze met een soort soeplepel per persoon een mok gevuld. Goed tegen de dorst.
In de ‘kleedruimte’ deed ik mijn voetbalkleding aan en natuurlijk ook mijn nieuwe kicksen. Rare, ongemakkelijke dingen vond ik het. Volgens mij zaten er zes noppen onder en het liep voor geen meter. Zo gekleed zag ik er wel uit als een voetballer, maar ik was het niet, bleek al snel.
Natuurlijk was me verteld wat de positie van spil in het elftal inhield, en waar je dan moest staan. Dat deed ik dus. Staan. Okay, soms een paar passen naar links, soms een paar naar rechts. Maar toch voornamelijk ‘staan’. En dat schijnt niet de bedoeling te zijn. Mijn voetbalcarrière duurde dus niet lang. Tegenwoordig mag ik er soms toch graag naar kijken op tv. En weet dan, net als vele anderen, precies te vertellen hoe goed, of juist hoe stom bepaalde acties zijn. Stuurman aan de wal. De beste!