De bevriende makelaar was bereid een vrijgekomen woning aan ons te verhuren. De woning bevond zich in de Noorderstraat in Amsterdam. Het huis had een woonkamer, een keuken, een badkamer en twee slaapkamers. Het was práchtig. De vertrekken waren verbonden via kleine trappetjes. Hier twee treetjes omhoog, daar weer drie naar beneden. Geen saaie doorzon. En twee slaapkamers, perfect voor een startend gezin met een kleine op komst.
Over dit huis waren we het snel eens: kom maar op met die sleutels!
“Dat is goed”, zei de makelaar, “maar dan moeten jullie eerst nog even een woonvergunning regelen”.
De ambtenaar van de gemeente legde uit dat de betreffende woning bewoond mocht worden door een gezin met minimaal drie personen.
“Uit hoeveel personen bestaat uw gezin?”, vroeg hij.
“Minimaal drie, kijk maar, tonnetje rond”, riepen wij in koor.
“Jaaah, maar dat telt niet. U bent dus met twee”, reageerde hij.
Daarmee weigerde hij ons de woonvergunning en ging de Noorderstraat niet door.
Wat wel doorging was de Laagte Kadijk (ook via via). Nu een yuppenbuurt met ‘nouveau riches’, huisjesmelkers en expats, toen een ongelofelijke gribus.
De woning was een zogenaamde ‘halve woning’. Woon-/slaapkamer, keuken, wc. Geen badkamer. Alles was er scheef, niets was geïsoleerd. Het was de bovenste verdieping en het dak lekte, zodat bij regen er overal pannen en potten moesten worden neergezet. Maar ja, je moet toch wat.
De huiseigenaar was een engerd. Hij zag er geen been in om voor te stellen de huur in natura te incasseren. Maar we hielden het toch maar bij gewone guldens.
Beneden ons woonde ‘de Rooie’ met zijn vrouw van dertien jaar. Ze hadden samen een baby en waren getrouwd ‘met toestemming van de Koningin’ vanwege haar jeugdige leeftijd. We konden van alles ‘meegenieten’. Iedere scheet van de Rooie (en dat waren er vele), iedere boer (idem), neuken, schelden, tieren, lallen, kotsen. Het beschavingsniveau deed beslist niet onder voor dat van het Amsterdamse Studenten Corps.
Het was me opgevallen dat er veel ‘alleenstaanden’ in de buurt woonden. Maar dat bleek een vergissing. De helft van de buurtgenoten was namelijk tijdelijk afwezig, want opgesloten in de gevangenis. Als deze lichting terugkwam, ging de andere helft de bak in. De Cock (met c o c k) van het vlakbij gelegen Bureau Warmoesstraat had er zijn handen vol aan. Soms ging men elkaar te lijf met een bijl of met een dubbelloops jachtgeweer. ‘Never a dull moment’, op de Laagte Kadijk, toen. Maar eigenlijk was het wonen daar een hel.
Waar het beslist geen hel was, was de Bijlmermeer. Weliswaar met een huur die 10x hoger was dan op de Laagte Kadijk, maar dan had je wél wat. Geen lekkage, geen gehorige toestanden, geen schuine vloeren. En aardige buren zonder bijlen en jachtgeweren. Prima gewoond, niks mis mee.
Na nog wat omzwervingen in vrije sector huurwoningen was het tijd voor een feestje. Dat feestje vond plaats in Koog aan de Zaan, bij een collega thuis. We waren erg gecharmeerd van haar huis en bij vertrek zeiden we ‘als je het ooit gaat verkopen, laat dan even weten’. Een paar weken later werd er op een zondag bij ons aangebeld. De collega van het huis in Koog. Haar man, de vader van haar twee kleintjes, was er achter gekomen dat hij toch meer van de herenliefde was. Ze gingen scheiden en het huis verkopen. Zij wilde dan wel met haar nieuwe vriend en haar twee kleintjes in onze huurwoning.
En zo belandden we in onze eerste koopwoning. Hypotheekrente bij aanvang 8,5%. Na vijf jaar 12,75%. Het ‘tranendal‘ werd onze wijk toen genoemd.
Soms vraag ik me wel eens af hoe onze woongeschiedenis er uit zou hebben gezien als de Noorderstraat wel was doorgegaan. Een ambtenaar die regeltjes moet handhaven zonder rekening te houden met de menselijke maat maakt meer kapot dan je lief is.