
“Hééé, met E.” klinkt het aan de telefoon.
“Hoi E. wat heeft dit nu te betekenen? Waarom bel je me op?”, reageer ik stomverbaasd.
“Nou ja, weet je, ik dacht, ik bel maar even”.
“Ja? Hoezo dan?”
“Nou ja, weet je, je moet niet schrikken hoor”.
“Als je zegt dat ik niet moet schrikken, wat denk je dan dat ik doe?” zeg ik, terwijl ik meteen een Caballero zonder filter opsteek.
“Ja, maar dat moet je dus niet doen.”
“Verdomme E. waarom bel je me in Oostenrijk op. Over twee dagen ben ik thuis. Wat is er gebeurd?”
“Ja, ik dacht ik bel maar even, want anders schrik je zo, als je weer thuis komt.”
“Dus ik moet nu niet schrikken, maar als ik thuis ben dan schrik ik wel. Verdomme E. wie is er dood?”
“Nee, nee, er is niemand dood hoor. Alleen…”
“Alleen wat, alleen wat, E.? Kom op nou!”
“Ja, nou, eh eh, je zoon S. heeft de autosleutels gevonden en heeft een ritje in jullie auto gemaakt.”
“S.? Kan die rijden dan?”
“Ja, nou ja, een beetje.”
“Hoezo, een beetje. Hij is zestien.”
“Ja kijk, eerst reed hij en toen stond hij weer stil. Dat bedoel ik met een beetje.”
“Stilstaan is niet erg E. Daarvoor bel je niet op. Zeg het nou maar.”
“Nou ja… het was tegen een lantaarnpaal, dus.”
“Is hij gewond? Zijn er anderen bij betrokken?”
“Nee hoor. Alleen je auto is nogal beschadigd.”
Dit voorval heeft er toe geleid dat zwager E. bovenstaand schilderij (gouache) maakte.