Ik ken een kraai. Zo’n man die, samen met vogels van hetzelfde pluimage, bij een uitvaart de kist draagt.
Ondanks zijn beroep is het een vrolijke, levenslustige man. Ik had de volgende conversatie met hem:
Ik: “Mijn grootste angst zou zijn dat de kist valt; dat ik het gewicht niet meer zou kunnen houden”.
Kraai: “Heb ik een keer meegemaakt. Zelfs zo erg dat de deksel loskwam”.
Ik: “Dat méén je niet”.
Kraai: “We waren met z’n vieren en hadden eigenlijk met zes moeten zijn. Meestal is er een liftje om de kist in het graf te laten zakken, maar hier moesten we met touwen werken”.
Ik: “Maar waarom viel de kist dan?”.
Kraai: “Eén van de achterste dragers hield het niet. De kist zakte, helde over en donderde half in het graf. Deksel los. Was geen aangenaam gezicht, vooral voor de familie niet”.
Ik: “Je zit me te dollen”.
Kraai: “Nee, serieus. Om de kist weer op te kunnen pakken moest ik het graf in. Met die familie er om heen. Ik stond niet met één, maar met twee benen in het graf dus”.
Ik: “Hoe reageerde de familie?”
Kraai: “Ze vonden het niet erg. Ze zeiden dat de man tijdens het leven ook altijd al pech had gehad. Dus dit was eigenlijk wel toepasselijk”.