Ik pakte Knabbel in zijn nekvel en tilde hem op. Hij kon dat niet waarderen en begon hard te grommen en agressief met zijn achterpoten omhoog te klauwen waarbij zijn scherpe nagels vurig rode groeven in mijn onderarmen trokken. Van schrik gooide ik hem terug in zijn hok en klapte de klep dicht.
Konijnen lijken lieve vriendelijke knuffelbeestjes, maar die twee van ons waren onbetrouwbare, geestelijk gestoorde, bijtgrage mensenhaters. Het hok verschonen of eten en drinken geven waren levensgevaarlijke activiteiten die niemand in ons gezin meer durfde uitvoeren.
Onze jongens wilden graag allebei een konijn, en die moesten Knabbel en Babbel heten. Waar we ze precies vandaan hadden gehaald weet ik niet meer, maar achteraf vermoed ik dat ze uit een konijnen-TBS waren ontsnapt. Hun enkelbandjes hadden ze waarschijnlijk doorgeknaagd.
Eigenhandig had ik een groot konijnenhok getimmerd en in het begin leek alles normaal. Knabbel en Babbel lieten zich nog gedwee in en uit het hok halen. Dronken water, aten brokken, hooi en groentenafval, en pisten en poepten hun hok zodanig onder dat ze iedere dag verschoond moesten worden. Twee gelukkige konijntjes, dachten we. Maar misschien waren ze van hetzelfde geslacht en wilden wel eens wat anders. Of misschien waren ze van verschillend geslacht maar hadden ze een pesthekel aan elkaar. In ieder geval bouwde de frustratie zich razendsnel op en werden ze grommende, bijtende, klauwende agressieve moordmachines.
Als ik wat meer ‘lebensraum’ voor de ettertjes zou creëren, misschien zou hun frustratie dan afnemen en zou er weer ‘gewoon’ met de beestjes geknuffeld kunnen worden, dacht ik. En dus bouwde ik hun hok (al bestaande uit een open dagdeel, en een gesloten nachtdeel) uit met een flauw aflopende koker naar beneden die leidde naar een ‘ren’ op het gras. De ren was rondom bekleed met gaas, dus ook de onderkant.
De dag na de officiële opening van hun uitgebouwde woning bleken Knabbel en Babbel ineens verdwenen. Ze hadden het gaas aan de onderkant kapot weten te bijten met hun killer-tanden, een gat in de grond gegraven en ons mooie grasveldje vernield. Ze waren spoorloos. De tuin was vrij nieuw en omzoomd door paaltjes. Niet echt een tuinafscheiding die konijnen tegen zou houden.
Buurman Frans had meegekregen wat er was gebeurd en bood direct zijn hulp aan. Hij had een groot schepnet opgedoken en wilde mee op ‘Knabbel-en-Babbel-jacht’.
Ondertussen hoorden we in een tuin van buren verderop verschrikte kreten slaken. De tuin daar was net door een tuinarchitect ontworpen en prachtig ingericht. En juist dié tuin was door het terrorduo uitgekozen om een écht konijnenhol te graven. Buurman Frans greep direct zijn schepnet en wilde in de richting van de consternatie rennen. Hij vergat daarbij even het ijzerdraad dat over de paaltjes was gespannen en belandde met een snoekduik in de prachtig bloeiende plantjes van de andere buren.
Bij de intensieve jacht die daarop volgde sloten zich steeds meer buren aan, en uiteindelijk lukte het om Knabbel en Babbel weer in hun hok te krijgen. Uiteraard zonder hun mooie buitenren. Terug bij af, alleen het dag- en nachthok.
Mijn konijnenpsychékennis was bewezen ontoereikend en dus was ik genoodzaakt tot drastischer stappen:
“Jongens, ik geloof dat Knabbel en Babbel hier zo samen niet gelukkig zijn. Ik wil ze naar de kinderboerderij brengen. Dan hebben ze daar allemaal lieve vriendjes, zijn ze veel gelukkiger en kunnen we ze toch nog zien en lekkere blaadjes sla brengen”, zei ik.
En dat leek de jongens, na wat traantjes, een acceptabel compromis.
De volgende dag belde ik met de kinderboerderij en legde het probleem uit.
“Ach mijnheer, dit gebeurt dagelijks. U mag ze brengen, maar ik moet eerlijk zeggen, ze gaan meteen door naar de poelier, want we hebben er al veel te veel”, antwoordde de man.
“Als u mij belooft dit nóóit aan mijn jongens te zeggen, dan heb ik hier geen probleem mee”, reageerde ik. Sterker nog: de poelier leek mij een prima eindbestemming voor terror-Knabbel en terror-Babbel.
En zo kwam het dat we regelmatig bij de kinderboerderij zijn wezen kijken. Helaas waren ze net steeds in hun holletje aan het slapen. Maar ze waren echt, echt, echt, heel gelukkig en hadden heel veel vriendjes.