Het waren de zeventiger jaren. Jaren waarin ‘democratisering’ tot op de werkvloer in de praktijk werd gebracht.
Voor de vacature voor de functie van afdeling-chefje had ik me aangemeld. En de procedure voorzag in een stemming door de medewerkers van die betreffende afdeling. De kandidaten moesten pitchen op wat voor manier zij vorm wilden geven aan het leiden van de afdeling.
Ik was van mening dat de inzet van allen nodig was om tot een goed afdelingsresultaat te komen. Ik had minder waardering voor mensen die zich maar halfjes inzetten en toch de gewenste productienorm haalden, en meer voor mensen die ik het vuur uit de sloffen zag lopen maar net ietsje onder die productienorm bleven. De laatste groep steunde ik van harte. Met de eerste wilde ik wel een functioneringsgesprekje aangaan.
Eén van de andere kandidaten had een totaal andere insteek. Hij verzekerde iedereen dat hij geen regels zou stellen. Iedereen mocht beginnen wanneer hij wilde, en vertrekken wanneer hij wilde. Koffie- en lunchpauzes konden vrij worden ingevuld. Evenals de duur daarvan.
Tot mijn stomme verbazing had het krantenbedrijf, buiten wat algemene opleidingseisen, geen enkele voorwaarde vooraf gesteld. Men vertrouwde op het gezonde verstand van z’n medewerkers. Zelf dacht ik tegenover mijn anarchistische collega kansloos te zijn. Maar het bedrijf had het goed, ik werd gekozen.
Op mijn vraag waarom men op mij had gestemd luidde het antwoord: ‘Zonder regels wordt het een puinhoop, dat is slecht voor het bedrijf en dus ook voor mij. Als de menselijke maat maar niet uit het oog wordt verloren’.
Helaas is dat heden ten dage soms wel het geval.