Iedereen was naar het bedrijfsrestaurant. Ik zat alleen in mijn kamer achter mijn bureau op de locatie van mijn opdrachtgever. Nou ja, zitten? De pijn in mijn rug was allesomvattend en daarom híng ik meer. Met mijn onderarmen op het bureau hield ik me overeind. Maar dat deed de pijn niet stoppen. Voorzichtig liet ik mij zakken, me vasthoudend aan het bureau. Gelukkig was mijn stoel er één op wieltjes waardoor hij als vanzelf van me weg reed. Op de vloer ging ik languit liggen. Op mijn rug.
Daar lag ik dus. In mijn keurige pak. Met stropdas, netjes geknoopt met een dubbele Windsor. De ogen gesloten, want dat liggen gaf enige verlichting.
Inmiddels was de lunchpauze voorbij en kwamen de mensen terug. De grote baas wilde me even spreken en kwam mijn kamer binnen.
“Ja zeg, daar betaal ik je niet voor”, riep hij uit. Gelukkig gevolgd door een bulderende lach. Het was beslist een man met humor. Ik kon alleen niet meelachen.
De geluiden uit mijn kamer maakte de anderen nieuwsgierig, dus het werd nog druk om me heen. Eén van die anderen was Kees. Kees was uitermate geraffineerd in de kantjes er af lopen. Hij kon goed ernstig kijken en instemmend knikken. Maar dat kon net zo makkelijk omslaan naar ernstig nee schudden. Toen hij mij zag liggen zag hij zijn kans schoon.
“Zal ik je even naar het ziekenhuis rijden?”, vroeg hij.
Ik reed een hem jaloersmakende leasebak en als hij mij wegbracht betekende dat twee voordelen voor hem. De eerste was natuurlijk dat hij dan niet hoefde te werken en de tweede was de kans om eens in die leasebak te rijden.
Ik had weinig keus. Zelfstandig staan, lopen of autorijden zat er niet in. Maar eerst liet ik nog even naar mijn lief bellen. Met een vaste lijn, want gsm bestond nog niet. Zij sprong meteen op de trein, richting ziekenhuis om het stuur daar van Kees over te kunnen nemen.
Ik gaf Kees mijn autosleutels en de brede grijns op zijn gezicht zal ik niet snel meer vergeten. “Tot morgen mensen, dit kan wel even duren. Overmacht”.
Terwijl hij de auto ophaalde werd ik, hangend tussen twee sterke mannen, naar de uitgang gedragen. Instappen was een pijnlijke exercitie, maar het lukte. Liggend op de achterbank arriveerden we bij het ziekenhuis. Uiteraard na een flinke omweg, maar ik had daar geen aandacht voor. Bij het ziekenhuis werd ik uit de auto geholpen en liggend vervoerd naar een onderzoek afdeling. Natuurlijk had men geen wonderbaarlijke genezing in de aanbieding, maar wel een heerlijke spuit. Eén waarvan een olifant neer zou gaan, zeiden ze.
Bij het instappen in de auto voor de terugreis kon ik het effect van de spuit goed merken. Maar halverwege de terugreis hield de werking helaas al weer op. Kermend is het gelukt thuis uit de auto te komen, de trap op en in bed. Daar ben ik een paar weken niet uit kunnen komen. Hetgeen weer voor nieuwe uitdagingen zorgde. Want er moet niet alleen zo af en toe wat brandstof in, er moet ook af en toe wat uit. En plassen in een urinaal is niet zo’n probleem, maar poepen op een ondersteek is een geheel ander verhaal. Ik zal jullie de details besparen.
Uiteindelijk ben ik met behulp van een manueel therapeut in mijn eigen bedje behandeld en weer op de been geholpen.
Terug op het werk was Kees de eerste die ik weer tegenkwam. “Lekker autootje”, was zijn begroeting.